De onbekende gast krijgt een gezicht
De MRI stond voor me. Een reeks zwart-witte beelden die er voor een leek uitzien als kunstwerken waar je geen titel bij krijgt. Ringen, vlekken, cirkels, lijnen… en ergens daartussen zat mijn werkelijkheid. Voor de urologen is dit taal. Voor mij was het ruis. Mijn blik dwaalde over de beelden, maar mijn hoofd begreep er niets van. Ik voelde me als een toerist in een vreemd land zonder woordenboek, laat staan dat ik de taal sprak.
Daar zat ik dus. Een man van negenveertig die anderen altijd leert om dingen zichtbaar en begrijpbaar te maken. En toch zat ik zelf verloren in een doolhof van medische pixels. Ik keek naar de uroloog. Hij was vriendelijk, bekwaam, duidelijk en ik voelde al veel vertrouwen. Maar zijn woorden waren gevuld met termen die ik niet kende. Prostaat, capsule, zenuwbundel… ik hoorde ze wel, maar ze landden niet. Het was alsof hij een andere taal sprak. Een taal die ik met mijn oren hoorde, maar waar mijn verbeelding geen beeld van kon maken. En ik wist: als ik het niet kan zien, kan ik het niet begrijpen. En als ik het niet begrijp, kan ik het niet aanpakken.
Ik besloot om mijn rol als patiënt heel even te parkeren en mijn rol als coach in te schakelen. Niet dat ik de dokter wilde uitdagen in zijn kennis, wel in zijn uitleg. Dus vroeg ik: “Dokter, mag ik u iets geks vragen? Wilt u het tekenen?”
Hij keek me even verbaasd aan. Tekenen? Dat deed hij waarschijnlijk vaker in zijn hoofd dan op papier. Maar ik zag zijn ogen verzachten. Alsof hij dacht: waarom niet, laat ons dit eens proberen. Hij nam een vel papier en een balpen. Niet meer dan dat. En voor mijn ogen begon de medische taal zich om te zetten in cirkels en lijnen.
“Dit is de blaas,” zei hij, terwijl hij een grote, eenvoudige cirkel tekende. “Hieronder ligt de prostaat.” Hij tekende er een kleine vorm tegenaan. “En hier loopt het zenuwstelsel.” Een paar lijnen kwamen erbij.
Ik keek, en plots viel er iets open in mijn hoofd. Voor het eerst zag ik waarover hij sprak. Geen abstracte MRI-beelden meer, geen Latijnse woorden. Gewoon: een cirkel, een vorm, een paar lijnen. Mijn lichaam op papier.
“En dit,” zei hij toen, en hij zette een kleine stip. “Dit is het plekje waar we aandacht voor moeten hebben.”
Ik keek. Daar was hij dus. De onverwachte gast. Hij zag er nog onschuldig uit, en ik zit vol vraagtekens, die een antwoord zouden krijgen nog voor ik de 50 kaarsen kon uitblazen.

Belangrijke lessen
Wat ik uit dit verhaal vooral heb geleerd, is dat je gerust mag vragen om eenvoud. Een arts die met een paar lijnen en een stip tekent, kan vaak meer rust geven dan een reeks moeilijke woorden of scans die je niet begrijpt.
Zodra ik een beeld kreeg van wat er in mijn lichaam gebeurde, merkte ik dat mijn angst kleiner werd. Wat zichtbaar is en contouren heeft, voelt veel hanteerbaarder dan een onzichtbare dreiging. Daarbij ontdekte ik ook dat accepteren niet hetzelfde is als verwelkomen. Ik hoefde mijn “gast” geen plaats te geven in mijn leven, maar enkel te erkennen dat hij er was. Dat verschil gaf me kracht en richting.
De visualisatie zelf werd een bondgenoot: het simpele tekeningetje groeide uit tot een ankerpunt dat me hielp mijn gedachten te sturen en mijn emoties tot rust te brengen. En tenslotte besefte ik dat ik als patiënt niet machteloos hoef te zijn. Zodra ik de situatie in beelden begreep, voelde ik me geen toeschouwer meer, maar iemand die actief kon meedenken en samen met de arts de volgende stappen vooruit kon zetten.
