Het licht achter de angst


De dagen voor de operatie voelden opnieuw vreemd aan. Alsof ik leefde tussen twee werelden: het gewone leven, en dat andere – het onzekere, waar ik geen controle over had. De schrik zat diep. Niet zozeer voor de operatie zelf, maar voor wat erachter lag. De gedachte aan de narcose leek me plots te achtervolgen. Het voelde als een gecontroleerde vorm van sterven met de schrik in de narcose te blijven. Dat moment van overgave, waarin je letterlijk alles moet loslaten.


Ik probeerde mezelf gerust te stellen met verstand: dat het veilig was, dat duizenden mensen dit dagelijks meemaken. Verstand is soms een slechte trooster. Want diep vanbinnen bleef die vraag: zal ik straks weer wakker worden? Juist daarom wilde ik nog één ding: genieten. Echt genieten.
Even niet de patiënt zijn. Niet de man met zorgen, maar gewoon mezelf.


Ik besloot Zeinab mee te nemen naar Club Brugge, mijn club.  Want de het T-shirt had toch wel iets extra los gemaakt.  En dan nog VIP-plaatsen tegen AA Gent. Een symbolisch duel, vol energie, strijd en trots. We wonnen met 4-1.


En ergens voelde het alsof ik ook even won van de angst of was het de angst even vergeten.  Ik genoot van elke minuut, elke juich, elke blik van Zeinab. Even was alles gewoon zoals het moest zijn.


Ik was dankbaar. Dankbaar dat voetbal, iets ogenschijnlijk banaals, me even optilde boven mijn zorgen. Het gaf me kracht om de dagen nadien met meer rust tegemoet te zien.  En toch bleef de angst af en toe zich melden op het dek. De nacht voor de operatie kwam ze stilletjes weer langs, die oude bekende. Deze keer keek ik anders naar haar. Ik zag de positieve intentie achter de schrik. Ze wilde me niet verlammen, ze wilde me beschermen. Ze fluisterde eigenlijk: ik wil leven.

Geen vijand meer, wel een luide bondgenoot die me eraan herinnerde waarom ik zo hard wilde leven.